(Startpagina)  (Werkzaamheden ex BB wagen)  (Ex BB wagens)

 

Ik vond nog een tekst in een van mijn mappen over de Burger bescherming indertijd gekregen van dhr Klaas Westland en heb dan ook besloten de site over de BB verder uit te breiden voor hen die niet weten wat de BB=Burger bescherming inhield, op deze site vind u onder linken nog enkele site die de historie van de BB levendig houden.

Bij deze heb ik schriftelijke toestemming van de Heer K. Westland om onder staande te mogen publiceren op de site www.oudedaf.nl zie onderstaande;

Hallo Jan,

Zo te zien op je website veel plezier met deze oude BB-DAF; ondergetekende eveneens met zijn Magirus. Met beide wagens gereden tijdens de 'herhaling'  en heb nog goede herinneringen aan de DAF, die al heel wat moderner was als het vooroorlogse ontwerp van de Magirus.

Ter aanvulling op je gegevens over de KMC en de BB bijgaand een verhaaltje wat ik ooit eens schreef voor ons clubblad over de KMC.  Misschien heb je er iets aan.

MVG Klaas Westland .

 

 

Het hieronder geplubliceerde vehaal is geplaatst met toestemming van de auteur

 

 

KORPS MOBIELE COLONNES

 

Klaas Westland

 

Onlangs kreeg ik van medeclublid Martien Duijkers een fotokopie van het tijdschrift Bescherming Bevolking ‘De Vierde Macht’ uit 1953. Bij een artikel in dit blad staan foto’s van een brandweervoertuig met het kenteken van mijn Magirus. Uiteraard was ik verrast met deze foto’s uit 1953 van mijn nog grijze Magirus S 3500. Door het tijdsbeeld dat deze foto’s oproepen, kwamen ook herinneringen aan de herhaling naar boven. De herhaling bracht ik door achter het stuur van een legergroene Magirus S 3500 bij het Korps Mobiele Colonnes (KMC). Wat is nu de relatie tussen de BB en het KMC? Een wat heeft Magirus er mee te maken? Ogenschijnlijk twee makkelijke vragen voor een lid van de Magirus-Deutz Club, het juiste antwoord bleek echter moeilijk te vinden. Met hulp van Mark Witte van de stichting Nationale Collectie Bescherming Bevolking is het gelukt. Max de Boer kon uit persoonlijke ervaring de historie van de motorspuiten toelichten. Beide zegslieden hiervoor mijn hartelijke dank. De Magirus S 3500 is de bindende factor van onze club, mijn verhaal is daarom vooral gericht op de brandweercolonnes. Andere colonnes van het KMC komen hierdoor niet voldoende uit de verf. Misschien dat dit artikel aanleiding is, ook deze facetten van het KMC in de toekomst nog eens uit te diepen.

 

 

Inleiding

Voor de oorsprong van de Organisatie Bescherming Bevolking en het Korps Mobiele Colonnes moeten we terug naar 1936 toen de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen (LBD) wordt aangenomen in de Tweede Kamer. De toenemende oorlogsdreiging vanuit Duitsland ligt eraan ten grondslag. Het Rijk verstrekt uitrusting en aanvullend materieel, waaronder een groot aantal tweewielige motorspuitaanhangers. Deze motorspuiten worden geleverd door de firma’s Bikkers en Kronenburg en hebben een capaciteit van 600 liter water per minuut. In geval van oorlog zouden civiele voertuigen worden gevorderd om de spuiten te trekken. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de LBD al spoedig geliquideerd.

 

 

Rijks Mobiele Colonnes

Nadat de Koude Oorlog zich begint af te tekenen, besluit de regering in 1951een nieuwe organisatie voor civiele bescherming in het leven te roepen. Op 10 juli 1952 wordt de Wet op de Bescherming Bevolking afgekondigd: “Onder Bescherming Bevolking verstaat de wet het geheel van niet-militaire maatregelen tot bescherming van de bevolking en haar bezittingen, zomede van de bezittingen van de openbare lichamen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld”. Na het in kracht stellen van de wet ontstaat de Organisatie Bescherming Bevolking (OBB) die onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken (BiZa) valt. De basis van deze civiele organisatie is optreden met vrijwilligers vanuit eigen stad of dorp. Nederland wordt onderverdeeld in BB-Kringen, Wijk- en Blokploegen. De OBB onderscheidt brandweer-, redding- en pioniersgroepen. Een BB-kring is een overkoepelende organisatie waarin meerdere steden en dorpen zijn verenigd. De OBB onderscheidt A-kringen voor de grote steden en B-kringen daarbuiten. De A-kringen zijn zelfvoorzienend en worden uitgerust met (blus)materieel. De B-kringen beschikken veelal niet over voldoende personeel en materiaal om gevolgen van rampen te bestrijden. De B-kringen zullen in geval van nood bijstand krijgen van andere kringen.

 

Om niet het risico te lopen dat de eigen kring in gevaar komt door het uitlenen van haar personeel wordt gezocht naar een aanvullende organisatie. De eenheden van deze organisatie dienen snel verplaatsbaar te zijn om in crisisgebieden te worden ingezet. Ter ondersteuning van de vaste BB-kringen ontwikkelt het Rijk plannen voor elf rijdende mobiele colonnes en één varende colonne. De bedoeling is ook deze Rijks Mobiele Colonnes (RMC) te bemannen met vrijwilligers, hiervoor is minimaal 17.000 man nodig. Landelijk melden zich slechts 150 burgers. De animo onder de bevolking is zo gering dat in feite de Rijks Mobiele Colonnes nimmer van de grond zijn gekomen. Met de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog nog vers op het netvlies blijkt de Nederlandse bevolking bereid te zijn om BB-vrijwilligerswerk in haar eigen omgeving te doen. Echter het doel om vrijwilligers te vinden voor de RMC's, die in tijden van nood ver van hun gezin gekazerneerd zullen worden, is niet haalbaar. Het Rijk heeft gezorgd voor voldoende en modern materieel, maar kan geen vrijwilligers vinden. De mislukking is zo spectaculair dat de Rijks Mobiele Colonnes voortaan buiten beschouwing worden gelaten bij de landelijke wervingsacties van de BB. Dit vitale onderdeel van de OBB zal op andere wijze bemand moeten worden.

 

 

Korps Mobiele Colonnes

In 1954 wordt overgegaan tot scheiding van de BB en de Rijks Mobiele Colonnes. Ambtelijk Den Haag heeft een oplossing voor het personeelsprobleem gevonden, men gaat voortaan de RMC’s bemannen met manschappen van de krijgsmacht. Op 1 augustus 1955 wordt als vierde onderdeel van de krijgsmacht het Korps Mobiele Colonnes opgericht; de RMC wordt nu het KMC. Het RMC-materiaal wordt doorgeschoven naar het KMC, maar blijft eigendom van de Organisatie Bescherming Bevolking. Het militair personeel van het KMC wordt geleverd uit alle krijgsmachtonderdelen. De financiering van het KMC zal geschieden door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het eerste tijdelijke KMC-depot wordt geopend in het kamp Golflinks te Arnhem. Per 1 maart 1956 wordt het depot van het KMC ondergebracht op de legerplaats Laren, tegenwoordig bekend als Kamp Crailo. Het KMC staat onder commando van een generaal-majoor (Defensie) en een Algemeen Inspecteur (BiZa). De leiding wordt bijgestaan door een staf, die voor het merendeel uit beroepsofficieren bestaat. De tweehoofdige leiding (Defensie/BiZa) is uniek en past binnen de gedachte van een niet-militaire organisatie. De organisatorische problemen zijn echter groot en in 1963 wordt het KMC definitief onderdeel van de Koninklijke Landmacht. Het KMC wordt voortaan bemand door militairen met een niet-militaire taak.

 

 

NV Motorkracht

In 1951 heeft de Rijksinspectie voor het Brandweerwezen van BiZa op grond van de ervaringen in de Tweede Wereldoorlog een opstelling voor brandweermaterieel gemaakt voor de op te richten Organisatie Bescherming Bevolking. De BB-kringen en de Rijks Mobiele Colonnes worden uitgerust om de gevolgen van klassiek oorlogsgeweld te bestrijden. Bij het uitrusten van de colonnes wordt geen rekening gehouden met een kernoorlog. Pas in de jaren zestig wordt de BB uitgerust voor de gevolgen van een atoomaanval. In oktober 1951 wordt de leveringsopdracht voor de motoren en voertuigen verstrekt aan NV Motorkracht te Hoogeveen, importeur van Klöckner-Humboldt-Deutz. Dit staalconcern is eigenaar van de Magirusfabriek in Ulm a/Donau (Werk Ulm) en de Deutz motorenfabrieken in Keulen. De toenemende angst van de Nederlandse bevolking voor een vijandelijke aanval vanuit het Oosten zorgt ervoor dat er druk op de ketel staat, de order moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd.

 

NV Motorkracht heeft niet de goedkoopste aanbieding. Andere importeurs en fabrikanten brengen eveneens concurrerende offertes uit. Onder meer schrijven in: NV Englebert met de merken Krupp en Panhard, Oceana met een Daimler-Benz, Rosier met Borgward en Auto Palace met een Oostenrijkse Steyr. Kromhout schrijft in met een Kromhout en een Leyland. Uit Eindhoven komt een sterke aanbieding van de DAF. De Nederlandse Motoren Maatschappij schrijft in met een Engelse Guy met Gardnermotor. De handelsfirma’s Ten Hoeve met een Engelse Commer, De Binckhorst met Dennis, Molenaar met een Morris en R.S. Stokvis met een Austin. Ook Amerikaanse wagens zijn goed vertegenwoordigd: Louwman & Parquin offreerden een Dodge, General Motors biedt GMC, Bedford en Chevrolet aan, terwijl Ford een V 8 aan het Ministerie offreert.

 

Een Rijkscommissie, waarin het Rijksinkoopbureau, Bureau Brandweer, Bureau Aanschaffingen Burgerlijke verdediging en de directeur van de Rijks Automobielen Centrale zijn vertegenwoordigd, spreekt op 8 oktober 1951 unaniem haar voorkeur voor Magirus uit. Na een eerste selectie waren DAF, Ford, Bedford, Austin en Magirus overgebleven. In de tweede ronde zijn alleen DAF en Magirus nog in de race. De moderne techniek en de snelle inzetbaarheid van de luchtgekoelde dieselmotoren overtuigt de Rijkscommissie van de kwaliteiten van een Magirus. Andere overwegingen zijn dat jaarlijks geen antivries nodig is en dat geen extra geforceerde koeling hoeft te worden toegepast bij het te verwachten stationair gebruik. De grote order ter waarde van fl. 8.904.620 wordt meteen geplaatst en man en macht gaat men in Ulm direct aan de slag. Er is op dat moment zeer grote angst in Ulm of men de afgesproken leveringsdata zal halen. Niet alle fabrieken van Magirus zijn op dat moment al hersteld van oorlogsschade en een tweede probleem is het nijpende gebrek aan kolen en staal in het zich snel herstellende naoorlogse Europa. Met hulp van het moederbedrijf, het staalconcern Klöckner-Humboldt-Deutz, slaagt men er met moeite in deze grote order binnen de contractueel overeengekomen acht maanden uit te voeren.

 

 

Oorlogsgeweld

De Rijksinspectie voor het Brandweerwezen heeft zich bij haar aanbeveling voor het benodigde materieel vooral gebaseerd op ervaringen tijdens het bombardement op Rotterdam in mei 1940. Ook de gunstige ervaringen van de Engelse Overheid met burgervrijwilligers tijdens de Blitzkrieg spelen een rol. Uitgangspunt van de Rijksinspectie is dat ongeveer 75% van de schade van een bombardement wordt veroorzaakt door brand. Op basis hiervan wordt een plan ontwikkeld, waarbij met een groot aantal brandweerspuiten een denkbeeldige paraplu van water rond brandhaarden kan worden gelegd. Voor het bluswater zijn zware pompen nodig. De spuiten moeten ver van de grote bevolkingscentra worden opgeslagen op het platteland. De verwachting is dat vijandelijke bombardementen op de grote bevolkingscentra in de Randstad zijn gericht. In geval van nood moet het materieel met spoed in colonneverband uitrukken naar de brandhaarden. De voertuigen zijn in staat hoge snelheden te halen. Een gemiddelde vrachtwagen in de jaren vijftig komt niet boven de 50 km per uur; een Magirus S 3500 uit 1952 haalt een snelheid van ruim 90 kilometer per uur. Voor die tijd een uitzonderlijk goede prestatie. Daarnaast is bij het vaststellen van de eisen rekening gehouden dat in oorlogstijd geen druk zal staan op het waterleidingnet. De Rijks Mobiele Colonnes zijn voor haar bluswater aangewezen op open oppervlaktewater. Dit verklaart de extreem grote order van 864 spuiten (264 autospuiten en 627 motorspuiten). In  Nederland zijn in 1952 slechts 1.700 spuiten bij de brandweren aanwezig.

 

 

Magirus S 3500

In december 1951 wordt per spoor een eerste serie van 44 chassis van het type Magirus A 3000 (4x4) afgeleverd bij NV Motorkracht in Hoogeveen. Verspreid over de maanden volgen in de eerste helft van 1952 nog 396 chassis van het type Magirus S 3500 (4x2). Daarnaast levert Magirus nog 677 luchtgekoelde Deutz F4L514 dieselmotoren; dezelfde motor waarmee ook de voertuigen zijn uitgerust. Een groot deel van de (voertuig)motoren worden vanaf fabriek voorzien van een gasstraal-ontluchtingspomp in de uitlaat. Met deze eenvoudige pomp kan vacuüm worden getrokken voor de bluspomp. Al in oktober 1951 is door Magirus een eerste serie van 50 Deutz dieselmotoren aan Nederland geleverd; in aantallen van 50 stuks per maand zal de levering van motoren op 1 oktober 1952 voltooid zijn. De motoren worden gebruikt om 627 motorspuiten op aanhanger te bouwen. De firma Jongerius levert het onderstel voor de tweewielige aanhangers. De motorspuiten worden opgebouwd bij NV Motorkracht in Hoogeveen. Het werk wordt deels uitbesteedt naar andere bedrijven, waaronder Carrosseriefabriek Den Oudsten in Woerden. Een deel van de resterende 50 Deutz dieselmotoren wordt opgeslagen in de rijksmagazijnen van de OBB.

 

Van de 440 geleverde Magiruschassis worden 264 autospuiten, 88 trekkers zonder pomp, 44 gereedschapwagens zonder pomp en 44 trekkers (4x4) met voorbouwlier gebouwd. Ietwat misleidend is het gebruik van de naam trekker. Hiermee wordt door de OBB een voertuig zonder bluspomp aangeduid met een manschappencabine voor 10 man. Zoals gebruikelijk begin jaren vijftig worden de voertuigen als kaal chassis zonder cabine geleverd. Bij gebrek aan voldoende capaciteit in de eigen carrosseriefabriek van Motorkracht wordt de afbouw van de wagens ook door andere Nederlandse bedrijven uitgevoerd. Namelijk bij Den Oudsten & Zn. in Woerden, Hainjé in Heerenveen, Medema in Appingedam, Den Hartog in Beesd, Lith in Rotterdam, Jac. Met in Alkmaar en Rozet in Bergen op Zoom. Het kale chassis van een Magirus S 3500 kost in 1951 fl. 12.400 en met de afbouw is een bedrag van fl. 17.500 gemoeid. De kosten voor een brandweerwagen komen op fl. 30.000,- per stuk. Alle auto- en motorspuiten worden voorzien van Enkes voorbouwpompen. Deze pompen van de firma Enkes uit Voorburg hebben een grote capaciteit van 2.800 liter water per minuut.

 

 

Civiel kenteken

De 440 wagens zijn eigendom van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en krijgen een civiel kenteken. De kentekens zijn gedateerd op 8 oktober 1952; met ongelooflijk veel inzet heeft het personeel van Magirus en van Motorkracht de order op tijd klaar gekregen. Een aantal van 264 motorspuiten wordt toegewezen aan de mobiele colonnes en 36 motorspuiten worden administratief verdeeld over de blusboten van de varende colonne. De resterende 327 motorspuiten gaan naar de OBB; deze pompen zijn bestemd voor de brandweerploegen van de A-kringen. De motorspuiten op aanhanger krijgen uit de aard der zaak geen kenteken, zij worden alleen voorzien van het colonnenummer en een oplopend intern nummer. Al het rollend materieel wordt in de grijze kleur van de BB gespoten. De tint grijs is landelijk niet overal hetzelfde, de kringen zijn vrij om hun eigen verf in te kopen. Vanaf fabriek is volgens de leveringsopdracht de kleur van chassis en motor van een Magirus zwart. Het materieel, waaronder de honderden voertuigen, wordt ondergebracht in grote magazijnen. Deze rijksdepots zijn gelegen in een strategische cirkel rond de randstad en uit angst voor oorlogsschade ver van grote steden gesitueerd. De standplaatsen van de Rijks Mobiele Colonnes zijn: Nieuwleusen, Ede, Nijkerk, Hoogwoud, Nieuw Vennep, ’s Gravenhage, Schijndel, Wijk bij Duurstede, Zevenbergen en Helenaveen. In de gemeente Rijswijk is nog het BB-oefendorp ‘Overvoorde’ gesitueerd; ook in Helenaveen is een BB-oefenkamp te vinden. Verder zijn er nog BB-kringmagazijnen, zoals in Arnemuiden, Margraten en Ridderkerk.

 

 

Korps Mobiele Colonnes

Aanvankelijk ressorteert het KMC direct onder het Ministerie van Oorlog. Wegens voortdurende interdepartementale communicatieproblemen wordt in 1963 het KMC ondergebracht bij de Koninklijke Landmacht. Bij deze overgang wordt de zogenaamde tweede gemeenschappelijke beschikking vastgesteld, waarin tal van zaken worden geregeld. Onder andere dat de organisatie van de colonnes van het KMC moet worden afgestemd op de Organisatie Bescherming Bevolking, maar naar aan te leggen militaire maatstaven en normen. Ondanks de hernieuwde civiele doelstelling is er wederom geen dekking onder de vlag van het Rode Kruis. Het KMC wordt een regulier legeronderdeel, dat zelfs in beperkte mate wordt uitgerust met handwapens. Even opmerkelijk is het feit dat de KMC-voertuigen legergroen zijn, terwijl het korps is opgericht voor civiele rampenbestrijding. De motorspuiten van de A-kringen blijven uiteraard BB-grijs. Ondanks de wervende wapenspreuk ‘Tot hulp geroepen’ van het KMC vinden de meeste beroepsmilitairen weinig bevrediging in het KMC-werk.

 

De mobiele colonnes worden bemand met reserve- en militiepersoneel van land-, zee- en luchtmacht dat de eerste oefening achter de rug heeft en geen mobilisatiebestemming. Na hun 27e jaar moeten dienstplichtigen met groot verlof voor de herhaling opkomen op de legerplaats Laren. Na hun omscholing tot hulpverlener blijft het KMC nog zes jaar hun mobilisatiebestemming. Voor reserve-officieren gelden andere leeftijden. Het KMC kan alleen worden ingezet na mobilisatie van het personeel en heeft dan een sterkte van 23.000 man. De manschappen staan onder militaire krijgstucht, dit in tegenstelling tot de vrijwilligers van het eerste uur. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken had zich in 1954 al snel gerealiseerd dat je vrijwilligers met een gezin achter zich, niet naar de hel van een bombardement kan sturen. Met soldaten in een militaire bevelstructuur lukt dat aanzienlijk beter. Op desertie in oorlogstijd staat nog altijd de doodstraf.

 

Het Commando KMC bestaat in vredestijd uit ongeveer 200 beroepsmilitairen en burgerambtenaren. Bij het KMC krijgen de brandweervoertuigen van Binnenlandse Zaken een militair kenteken uit de MC-serie. Bovendien behouden ze het oorspronkelijke civiele kenteken op naam van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze dubbele kentekens zijn uniek voor Nederland, want verder kent alleen het wagenpark van het koningshuis dubbele kentekens. Het onderhoud van de in bruikleen verkregen brandweervoertuigen wordt in eigen beheer op kamp Crailo uitgevoerd. Reparatie van plaatwerk wordt echter uitbesteed aan naburige civiele werkplaatsen, bijvoorbeeld aan carrosseriefabriek Van Wessel in Huizen of carrosseriebedrijf Planjer in Naarden. Veel haast is daar nooit bij, soms staan de wagens wel een jaar buiten opgesteld bij zo’n plaatwerker. Ook voor voertuigen in het rijksmagazijn in Nijkerk worden door deze bedrijven carrosseriewerk verricht.

 

 

Reserveonderdelen

Behalve de ingeleende Magirusvoertuigen van Binnenlandse Zaken leent het KMC in haar beginjaren vrachtwagens en jeeps van de landmacht. Ook na de overdracht van het KMC naar de Koninklijke Landmacht blijft het OBB-materiaal in eigendom van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Specifiek materieel, bijvoorbeeld voor de nooddrinkwaterleidingcompagnie, wordt hier in de loop der jaren aan toegevoegd. Alleen het ontbrekende militaire materiaal, zoals vrachtwagens, tenten, veldkeukens, helmen en kleding worden geleverd door het Ministerie van Oorlog.

 

Slechts een klein deel van de voertuigen van de mobiele colonnes van het KMC staat opgesteld op de legerplaats Laren. Het merendeel blijft in de grote overdekte rijksmagazijnen van Binnenlandse Zaken staan. Opmerkelijk dat reserveonderdelen van spuiten en voertuigen in beheer blijven bij de OBB. Door de lange wachttijd voor een reserveonderdeel staat een defecte KMC-Magirus soms maanden stil. Pas wanneer een Magirus van het KMC erg veel mankementen begint te vertonen, wordt hij met pijn en moeite omgeruild voor een OBB-Magirus uit een opslag. Een Magirus in gebruik bij het KMC kan meer dan 60.000 kilometer op de teller hebben staan, terwijl een Magirus in opslag gemiddeld niet boven de 5.000 kilometer uitkomt. Hoewel OBB-personeel verplicht is jaarlijks een proefrit te rijden met het rollend materieel, komen de wagens meestal niet van hun plek af. De verplichte jaarlijkse proefrit wordt doorgaans opgebokt afgelegd in de opslaghal.

 

 

Bolneuzen

In 1956 krijgt het KMC haar eerste eigen voertuigen. Voor het transport van 44 Fiat overheadloaders worden 2 Magirus-Deutz SH 3504 trekkers met schotel (bolneuzen) en 2 DAF TA 1900 opleggers aangeschaft. De Fiat puinhapper is een combinatie van bulldozer en puingraver en is voor de mobiele colonnes onmisbaar voor het berijdbaar maken van door puin versperde wegen. In 1962 krijgt het KMC nog eens de beschikking over 48 Magirus-Deutz Mercur vrachtwagens. Uit deze Magirus-Deutz serie van 1962 worden 2 gereedschapswagens en 6 trekkers gecarrosseerd door de carrosseriefabriek van Motorkracht; de resterende 40 stuks zijn fabriekswege uitgevoerd als vrachtwagen met open bak en zeildoeken huif. De vrachtwagens worden toegevoegd aan de colonnes voor het transport van brandweerslangen. In 1965 worden nog eens 84 DAF A 1300 (4x2) vrachtwagens gekocht. Evenals de Magirus-Deutz vrachtwagens zijn ook deze bestemd voor het transport van slangen. Bij enkele van de rijdende colonnes, waarvan verwacht wordt dat zij in waterarme streken moeten opereren, worden extra slangenwagens toegevoegd voor het vervoer van de 4” en 6” slangen voor watertransport over grotere afstanden.

 

 

DAF 1300D

In 1966 bouwt de firma Kronenburg uit Hedel voor het KMC een serie van 24 autospuiten op basis van het chassis van een DAF 1300D. Deze autospuiten hebben een 6-cilinder DAF dieselmotor en een dubbel uitgevoerde manschappencabine die plaats biedt aan 18 manschappen. De voertuigen worden voorzien van een Magirus voorbouwpomp met een capaciteit van 2.800 liter water per minuut. De luchtgekoelde producten uit Ulm bevallen  uitstekend, want in 1967 worden nog eens 19 chassis van het type Magirus-Deutz 85D11A besteld. Uit deze laatste serie worden vier wagens als trekker met voorbouwlier gebouwd, één wagen gaat naar het centrale magazijn van de BB in Den Haag en veertien vrachtwagens gaan naar de nieuw opgerichte MOVD. Deze laatste BB-dienst is bedoeld voor de bestrijding van de gevolgen van radioactieve neerslag bij een kernoorlog en heeft de beschikking over grote mobiele groepsdouches.

 

In 1959 worden voor het vervoer van de pelotonscommandanten en voor koerierswerk 36 Volkswagen Kevers opgenomen in de colonnes; deze worden in 1965 (34 stuks) en in 1975 (22 stuks) vervangen. Daarnaast zijn in de periode 1966-1976 nog 17 Volkswagen T2 combibussen aangeschaft en in de periode 1962 tot 1967 nog eens 18 Citroen HY 1500 radiocommandowagens. Ter aanvulling van de twee reeds lopende Magirus-Deutz bolneuzen worden in 1962 voor het transport van de puinhappers nog vijf DAF T 1502 trekkers met schotel besteld. Gelijktijdig levert de firma Nooteboom uit Wijchen vijf Nooteboom OD 20 diepladers af.

 

 

Revisie

Hele lichtingen van dienstplichtigen zijn opgegroeid met gesynchroniseerde versnellingsbakken; de rauwe ongesynchroniseerde ZF-bak van een Magirus S 3500 is dan ook veel chauffeurs te machtig. Het kundig schakelen met dubbel klutsen en tussengas mislukt meestal. Vanwege de herrie van de geteisterde tandwielen wordt dit spottend tandjes poetsen genoemd. De dienstplichtigen in de manschappencabine helpen de chauffeur wel herinneren aan zijn rijvaardigheden. Ook het remmen met een zware Magirus zonder enige rembekrachtiging maakt het rijden voor een chauffeur er niet makkelijker op. In 1978 wordt een begin gemaakt met een ingrijpende modificatie van de Magirus S 3500 en de A 3000 voertuigen door NV Motorkracht. De inmiddels 27 jaar oude voertuigen voldoen niet aan de wettelijke remeisen van de onlangs ingevoerde APK-keuring. De remsystemen van de wagens worden volgens een streng protocol, opgesteld door Motorkracht, door verschillende Nederlandse Magirus-Deutz dealers gemodificeerd. Het onbekrachtigde hydraulisch systeem wordt gewijzigd naar een luchtdruk bekrachtigd semi-hydraulisch remsysteem. Gelijktijdig worden een aantal kleinere zaken gemoderniseerd, zoals remlichten, spiegels, ruitensproeiers, reflectoren en alarmknipperlicht. Ook worden de velgen ontroest, geschilderd en voorzien van nieuwe banden. Na deze ingrijpende en kostbare revisie zijn de Magirus voertuigen uit 1952 naar schatting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken nog minimaal tien jaar inzetbaar.

 

 

Reorganisatie KMC

In 1980 wordt besloten tot het geleidelijk opheffen van de BB; ook de KMC-brandweercolonnes zullen geleidelijk worden opgeheven. Een beperkt deel van de Magirusvoertuigen is op dat moment nog aanwezig bij Magirus-Deutz dealers voor de revisie. Vanaf 1984 worden de brandweertaken van het KMC overgeheveld naar de regionale brandweren. De officiële opheffing van de BB wordt per wet geregeld op 1 juli 1986. De BB-taken worden overgedragen aan het KMC, regionale brandweren, Rode Kruis, politie en ambulancediensten. De 12 reddingscolonnes van het KMC worden hierna uitgebreid tot 19 colonnes, elk met 219 voertuigen. Daarnaast blijven 12 ziekenautocompagnieën met elk 108 voertuigen van het KMC bestaan.

 

Al voordat de BB officieel is opgeheven, begint in januari 1986 de verkoop van het rollend materieel. De brandweervoertuigen op kamp Crailo zijn als eerste aan de beurt en worden rijdend vervoerd naar de verkoopterreinen van de Dienst der Domeinen in Soesterberg. De brandweervoertuigen van één mobiele colonne blijven buiten de verkoop en worden overgedragen aan de Belgische overheid. Een andere brandweercolonne wordt aangeschaft door een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie voor Derde Wereldlanden. Deze colonne wordt rollend over de weg naar de Rotterdamse haven vervoerd om ingescheept te worden naar Afrika. Bij aankomst in Afrika blijkt al snel dat de brandweerwagens ongeschikt zijn voor Afrikaanse omstandigheden. Een van de redenen is gebrek aan voldoende open water. In 1987 worden de laatste wagens van de brandweercolonnes verkocht. Voor de overdracht naar de Domeinen worden de wagens door OBB-personeel ontdaan van hun omvangrijke hoeveelheden losse uitrustingsstukken, zoals ladders, aanzuigslangen, spuitmonden, slangen, enzovoorts. Ook de voorbouwpompen van de meeste voertuigen worden gedemonteerd. Enkele voertuigen worden opgenomen in museale collecties, het merendeel komt terecht in particuliere handen. De nog in uitstekende staat verkerende DAF A 1300 vrachtwagens uit 1965 vinden hun weg naar het bedrijfsleven, veelal in het buitenland.

 

 

Restant motorspuiten

Niet al het rollend materieel wordt verkocht, 450 motorspuiten blijven met reserveonderdelen achter in de rijksmagazijnen. Als schroot zijn 175 overtollige motorspuiten in 1985 al via de Dienst der Domeinen afgevoerd. Door grote branden bij de Makro in Diemen en bij de Parenco Papierfabriek in Arnhem is begin tachtiger jaren door de brandweerinspectie de noodzaak onderkend van extra bluspompen. Deze pompen moeten zorgen voor voldoende druk op het bluswater bij grote calamiteiten. Bij de Makrobrand zijn letterlijk alle voertuigen van de Amsterdamse brandweer ingezet. Wanneer op dat moment elders in de stad een brand zou ontstaan, had de Amsterdamse brandweer niet kunnen uitrukken. Deze latente noodzaak brengt het Ministerie van Binnenlandse Zaken op het idee haar oude motorspuiten uit 1952 in te zetten.

 

Deze motorspuiten staan dan al ruim dertig jaar ongebruikt in opslag. Het is niet duidelijk of ze nog naar behoren kunnen functioneren. Aan Iveco Nederland BV wordt in 1985 een opdracht gegeven op basis van nacalculatie een eerste proefserie van 25 motorspuiten te reviseren. De revisie wordt uitgevoerd in het garagebedrijf van een Iveco dealer in Amsterdam. Na deze geslaagde proefserie wordt opdracht verstrekt voor nog eens 326 exemplaren. Deze vervolgopdracht wordt in 1986 uitgevoerd in een gehuurde loods van het GVB in Amsterdam. Na deze geslaagde revisie resteren nog de restanten van ongeveer 124 motorspuiten. Deze restanten zijn door de Iveco-monteurs voor onderdelen gekannibaliseerd of technisch afgekeurd. De in kwaliteit sterk verschillende restanten worden in 1987 als schroot verkocht via de Dienst der Domeinen. De eerste serie motorspuiten uit 1952 hebben Enkespompen van gietstaal, later zijn de Enkespompen veelal vervangen door Magiruspompen van messing. Magirus Feuerwehrgeräte AG uit Ulm heeft namelijk ergens in de jaren zestig de firma Enkes uit Voorburg overgenomen. Alle nog resterende Enkespompen worden bij de revisie afgekeurd. Enkele brandweerkorpsen, waaronder Katwijk aan Zee, hadden met desastreus gevolg motorspuiten voorzien van gietstalen Enkespompen getest met zeewater.

 

Nadat 351 motorspuiten zijn gereviseerd, worden ze verdeeld over regionale brandweren. De KMC-legergroene en BB-grijze motorspuiten worden voor de overdracht brandweerrood gespoten met een witte band over de motorkast. De regionale brandweren weten niet altijd wat zij met de motorspuiten met hun grote capaciteit aanmoeten. Hun organisatie en onderdelen, zoals slangen en koppelingen, zijn er niet op afgestemd. Het RMC en het KMC hanteerden afwijkende verdeelslangen en broekstukken. Sommige onderdelen zijn zelfs speciaal gefabriceerd voor RMC-gebruik en hebben een geheel afwijkende maatvoering. De transportleidingen zijn bijvoorbeeld zesduims. Een ander probleem is de koppeling van de aanhangwagen met gemeentelijke en regionale brandweervoertuigen. De meeste brandweervoertuigen beschikken niet over een vangmuil, maar hebben een kogelkoppeling.

 

Omdat de motorspuiten niet overal voldoen, zijn een aantal gereviseerde motorspuiten inmiddels weer verkocht via de Domeinen. De meeste motorspuiten hebben na de verkoop een bestemming in de agrarische sector voor bevloeiingsdoeleinden gevonden. Er zijn nog steeds motorspuiten uit 1952 te vinden bij regionale brandweren. Deze motorspuiten worden vooral gewaardeerd door de grote capaciteit van hun pomp, bijvoorbeeld bij de wateroverlast van de rivieroverstromingen in Gelderland en Limburg. De laatste motorspuiten gaan er binnenkort uit, aangezien door het Rijk grootwatertransport units geleverd worden.

 

 

Gewondentransport

Voor gewondentransport wordt vanaf 1982 het KMC uitgerust met 150 DAF FA1300 5-tons vrachtwagens (4x2). In de laadbak worden rekken voor brancards gemonteerd, zodat vier liggende en enkele zittende slachtoffers kunnen worden vervoerd. Deze nieuwe KMC-wagens worden grijs gespoten, het legergroen heeft schijnbaar afgedaan. In 1986 worden deze lichte vrachtwagens weer brandweerrood gespoten met een witte band rond de cabine met de tekst ‘Brandweer’. In 1990 volgt een nieuwe reorganisatie van het KMC, waarbij de 19 reddingscolonnes en de 12 ziekenautocompagnieën worden teruggebracht tot 15 mobiele colonnes. Deze reorganisatie waarbij de zelfstandige ziekenauto compagnieën zullen worden ondergebracht in de mobiele colonnes is nooit volledig uitgevoerd. Het einde van het KMC komt dan ook bijzonder abrupt. In het voorjaar 1991 verklaart het Ministerie van Binnenlandse Zaken nog dat het bestaansrecht van het KMC niet ter discussie staat. In september 1991 wordt plotseling beslist dat ook het KMC met ingang van 1 januari 1993 wordt opgeheven. De organisatie van rampenbestrijding zal worden overgenomen door de brandweercompagnieën en reddingspelotons van de regionale brandweren. De nog resterende voertuigen van de mobiele colonnes worden overgedragen naar de regionale brandweren. De 150 vrachtwagens worden later nog voorzien van een hydraulische laadklep en worden nu binnen de regionale brandweren gebruikt als boodschappenwagen.

 

 

Afsluiting

De BB had een flitsende start in de vijftiger jaren met voldoende vrijwilligers voor de vaste kringen. Al snel was duidelijk dat er geen voldoende animo onder de bevolking was voor de Rijks Mobiele Colonnes. De overheid vond de oplossing bij dienstplichtige militairen en bedacht een zeer bijzonder legeronderdeel. Namelijk het KMC die voortaan de bemanning van de Rijks Mobiele Colonnes moet uitvoeren. De bezuinigingswoede van de tachtiger jaren maakte een eind aan de BB en enige jaren later ook aan het KMC. Hoewel de Nederlandse brandweer zeer goed gemotiveerd, opgeleid en uitgerust is, moet de vraag gesteld worden of alle voormalige BB-taken gewaarborgd zijn bij grote calamiteiten. Temeer daar bij deze grootschalige uitbreiding van taken de budgetten voor de brandweren al jarenlang niet verhoogd zijn.

 

In de periode 1951-1967 zijn door Magirus 509 voertuigen geleverd aan de OBB en het KMC. Hiervan hebben ongeveer 220-240 voertuigen de afschaffing van de het KMC overleefd, de meeste hebben een tweede leven als klassieke bedrijfswagen of kampeerauto. De Magirusvoertuigen van de brandweercolonne op kamp Crailo zijn in 1986-1988 allemaal verschroot bij de handelsfirma Van Dam in Bennebroek. Deze wagens hadden aanzienlijk meer kilometers gelopen dan de brandweervoertuigen in de rijksmagazijnen.

 

Het KMC was een zeer omvangrijk en bijzonder militair korps, dat bijna geheel uit dienstplichtig en reservepersoneel bestond. Met een pennenstreek van minister Wiegel is het korps in 1993 geruisloos opgeheven. Dit roemloze einde doet geen eer aan de inspanningen van de duizenden dienstplichtigen die hun verplichte herhaling bij het KMC doorbrachten.

 

 

Bronnen:

Boer, Max de, mondelinge mededelingen, Nieuwegein 2002

Boom, Bart van der, ‘Atoomgevaar? Dan zeker BB’, Den Haag 2000

Monsees, H.W., ‘De Rijks-mobiele-colonnes-brandweer’, Tijdschrift BB, nummer 5,mei 1953

Transmobiel, ‘50 jaar: Voertuiggebonden kentekens’ nummer 103, februari/maart 2002

Verburg, G.J., ‘De Brandweerwagen in Nederland’, Alkmaar 1982

Wallast, Martin, ‘Militaire Transportvoertuigen in Nederland’, Rijswijk 1984

Wallast, Martin, ‘De Brandweerauto in Nederland’, Rijswijk 1992

Witte, M.A., schriftelijke mededelingen, Zierikzee 2002

 

Terug naar vorige pagina